Tour du Morvan

Met de hond de Morvan rond
Le suprenant massif du Morvan, constitué essentiellement en un vaste plateau de moyenne montagne aux formes mollement vallonées, donne une impression d’immensité. Revelé au süd au mont du Haut Folin (902m;) et doucement fléchi en direction du nord (250m. à Aballo; aujourd’hui Avallon), le territoir de ‘La Montagne Noir’ (Morven en celte) est incisée par de nombreux torrents.
Les eaux qui seraient originaire de Mont Blanc (!) taillent le granit…,jaillisent, puis ruissellent vers le basin méridional d’Augustodunum (Autun)…
Le relief est rythmé par les sommets, les vallées aux flancs tantôt raides, tantôt évasés; les escarpements sont dus à des failles, à des différences de dureté de roches ‘cuvettes’, à des phénomènes tecnotique ou à une simple érosion. Sans être élevé, le Morvan présente les caractéristiques d’une montagne.
Uitzicht naar het oosten vanaf het kammetje bij het bois de la VenteUitzicht naar het oosten vanaf het kammetje bij het bois de la Vente
Onze tocht begon op het kammetje dat boven Larochemillay naar het noorden loopt. Wij hebben vanuit ons domein uitzicht op dit kammetje en daar het 200m. hoger ligt dan wij, kunnen we er aan zien of er sneeuw ligt in de hogere gedeeltes van de Morvan. Let wel: we spreken hier over de winter. De Tour du Morvan werd door Diable en mij van 31 augustus tot en met 6 september gelopen. Van sneeuw was dus geen sprake. Het weer hield zich prima en er viel geen spatje regen.
Uitzicht naar het Zuiden
Op zo’n kammetje lopend heb je een bijna panoramisch uitzicht en het was daarom een fantastisch begin van de tocht. Voor Diable was het spannend, omdat ze hier nog nooit had gelopen en we niet van huis waren vertrokken, maar door Bjorna op weg naar Chiddes met de auto hier afgezet. Diable was dan ook minder ondernemend dan ik van haar gewend was en verloor me geen minuut uit het oog. Ik was wel blij met deze gang van zaken, omdat het haar ook energie bespaarde. Ik was van plan tegen de 40km. per dag te lopen en wist niet hoe een jonge hond hierop fysiek zou reageren.
Het moet wel gezegd, dat de route in de Zuidelijkste uitlopers van de Morvan ook minder mooie beelden opleverde. Ik heb er achteraf spijt van, dat ik in een gehucht als Le Creux geen foto’s heb genomen. Dan zou een evenwichtiger afspiegeling van de tocht zijn ontstaan. Het bevreemdt mij altijd, hoe besmettelijk zowel ‘troep’ als ‘schone stoepjes en bloementuintjes’ zijn. De eerste variant trof ik aan in Le Creux, in meerdere of mindere mate bij alle – ik meen drie – huizen. Landbouwplastic, hooitouwtjes, kapotte auto’s en kapot speelgoed, dat alles slingerde door elkaar. Verveloze deuren en luiken, gebroken raampjes, schuren die op instorten stonden of al gedeeltelijk waren ingestort. Haveloze kettinghonden, met soms zo’n inelkaar gezakte auto als hondenhok.
Verwachtingsvol ‘wormhole’
Bjorna heeft een eenvoudige verklaring voor de bende die er in onze omgeving op zekere erven heerst: de Nièvre, het département waar wij onder vallen, behoort tot de armste van Frankrijk. Hoewel dit in mijn ogen mogelijk een rol kan spelen, acht ik het waarschijnlijk dat er ook andere factoren meespelen. Als wetenschappelijk feit weliswaar van nul en generlei waarde zijnde, heb ik warémpel in mijn leven wel armere streken gezien, waar ondanks de beperkte middelen liefdevol met de directe fysieke omgeving werd omgesprongen. Een voorbeeld is een achterafhoek van Slovenië in het begin van de jaren 60. De wegen waren niet verhard, de boeren, die hoogstens 4Ha bezaten en bijna geheel autarktisch leefden, hadden geen tractoren en andere machines (hier heb ik leren zeisen!) en op de erven wemelde het van de bloemen, de was hing vrolijk te wapperen en de mensen waren open en bijzonder gastvrij.
Een nieuw perspectief
In New Age kringen bezigt men de term ‘energie’ voor een vage en niet-omschreven onderstroom die van alles kan losmaken. Ik houd niet van dit gebruik van het woord, omdat ik het een volslagen nietszeggende omschrijving vind voor een waaier aan gevoelens, impressies en (hinein)interpretaties. Maar het vreemde feit dat de ene streek een letterlijk en figuurlijk ‘opgeruimde’ indruk maakt, waar een geografisch nabijgelegen oord er een puinhoop van maakt, mag wat mij betreft energetisch geduid worden. Misschien ware het zelfs beter de term ‘energie’ in deze gevallen te hernoemen tot  ‘levensenergie’. De Fransen behoren tot de meest depressieve volkeren ter wereld en binnen dat volk vormt de Nièvre een tragisch dieptepunt. Wat mij betreft scoort Le Creux binnen de Nièvre ook nog eens ondermaats. Dit alles heeft wellicht meer te maken met niet tot zijn recht kunnen komen en sociale besmetting, dan met financiële nood. Maar het voert in het kader van de Tour du Morvan te ver om hier nader op in te gaan.
Mont Beuvray
De Mont Beuvray – op de foto ten oosten van de route die even later in westelijke richting zal verder gaan – is onze huisberg en op één na de hoogste van de Morvan. Omdat er zich zoveel Nederlanders in zijn omstreken hebben gevestigd, wordt hij ook wel “De hoogste berg van Nederland” genoemd. Met 824 m. is hij inderdaad aanzienlijk hoger dan de Vaalserberg (321m.). Maar sinds Saba een bijzondere gemeente van Nederland is geworden moeten we, dunkt me, de Mount Scenery met zijn 877m. als meerdere van de Mont Beuvrauy erkennen. Nu de Caribische bergen meetellen wordt de Vaalserberg overigens, behalve door de Mont Beuvray, door 14 andere geklopt.
In de wolken
Zoals dat een ‘hoge’ berg betaamt, hulde de Mont Beuvray zich deze dag in de wolken. Dat ziet er dreigend uit, maar schijn bedriegt: het gaat hier om opstijgende waterdamp uit het dal. Een teken van mooi en warm weer dus, dat ons de rest van de tocht inderdaad vergezelde. Voor Diable, die een flink dikke vacht heeft, was het daarom een geluk dat het merendeel van de route door schaduwrijke bossen voert. De enkele keer dat we in de brandende zon een paar honderd meter moesten klimmen, zocht ze zorgvuldig de schaduwen op. Reden om me voor te nemen dit soort tochten niet in de volle zomer met haar te maken. Voorzomer en nazomer zijn hond-(en ook paard-)vriendelijker.
Landschap na Le Creux
Iets voor Dragne
Bij Dragne steekt de route de D18 richting Moulins Engilbert over en buigt naar het westen, enigszins parallel met de D18 lopend. Er volgt een parkachtig landschap, richting Villapourçon.
Loofbos
Doorkijkje
Uitzicht op Villapourçon
De naam Villapourçon is traceerbaar tot in de 10e eeuw, toen op deze plaats een vestiging stond, die ‘Villa Roporcono’ heette. In het midden van de 13e eeuw vinden we deze terug als ‘Villa à Pourson’, waarop er in de 14e eeuw sprake was van ‘Villa Procorum’. Mogelijk bracht men er in vroeger tijden varkens groot, maar dat er ter plekke een villa stond van ene Roporcono wordt niet uitgesloten. Dat er leegloop heeft plaatsgevonden moge blijken uit het feit dat de gemeente in het midden van de 19e eeuw meer dan 3000 inwoners had, waar de teller op heden de 450 nog niet haalt. Het is een fenomeen dat niet slechts Villapourçon raakt, niet alleen de Morvan, niet alleen de meeste Franse buitengebieden (la campagne), maar dat wereldwijd is: de leegloop van het platteland. Er zijn hier gehuchten met tien woningen, waarvan er twee permanent bewoond worden. De rest is hetzij onverdeelde boedel en is aan weer en wind overgeleverd, ofwel in het bezit van wat je een modern soort kolonialisten zou kunnen noemen: buitenlanders, niet zelden Nederlanders, die de vergane glorie in ere herstellen en er de vakanties doorbrengen.
Kerkje van Villapourçon
Eén van de gevolgen van de vergrijzing van het platteland is het wegkwijnen van beroepsgroepen. Voor veel afgestudeerden is de provincie synoniem met leegte en triestigheid: men wil er zijn kinderen niet grootbrengen. Ondanks het aanbod studieschulden kwijt te schelden en ondanks fiscale voordelen, waren bijvoorbeeld Franse artsen en fysiotherapeuten er niet toe te bewegen zich voor meerdere jaren buiten een stedelijk gebied te vestigen. Van arrenmoede werden daarom Nederlandse en Belgische artsen aangezocht, die het werken in een voor hun idyllische omgeving zonder  teveel bureaucratische rompslomp wel zagen zitten. ‘Dokter’ staat hier nog in hoog aanzien en heeft minder dan in Nederland last van mondige patiënten. Hoewel het natuurlijk hard werken is, kun je je als arts een God in Frankrijk wanen.
Maar ook voor ‘artisans’ is de ontvolking van de dorpen funest. Vandaar dat ik in vele dorpen, waaronder Villapourçon, een plakkaat als het bovenstaande aantrof. Het ontbreken van een middenstand is onderdeel van de vicieuze cirkel van een ‘exode rural’: jongeren trekken weg uit deze voor hun weinig stimulerende plekken, met als gevolg vergrijzing, ‘vieillissement’. Op zijn best wordt het ouderlijk huis aangehouden door de familie, ‘pour se mettre au vert’.

Le service d’alimentation générale culturelle est un nouveau service de proximité expérimenté actuellement en Nièvre et Morvan. Il consiste à servir avec le plus grand soin 32 hameau, cours de fermes, bords de chemins, lisières de bois….pendant 4 mois, de juin à septembre.

 

Le service est gratuit (même pour les riches!) et rassemble chacque semaine 500-700 personnes. Au delà de l’animation, il s’agit d’une véritable réflexion sur les modes de diffusion de l’art et de la culture en milieu rural et sur les politiques culturelles. C’est aussi un événement symbolique destiné à soutenir les service de proximité en particulier le commerce ambulant.
Maar het moet gezegd: men doet zijn best het tij te keren en er zijn stemmen die beweren dat de leegloop op z’n minst tot stilstand is gekomen. Permanent gevestigde Nederlanders, hetzij actief in de toeristenindustrie, hetzij op kunstzinnig gebied of een combinatie van beide, dragen hieraan een steentje bij.

 

Les charolais dans l’ombre

 

 

In de vijftigerjaren van de vorige eeuw verdween het rode morvandese koeienras en maakte plaats voor de witte ‘charolais’, die in het verleden was gehouden om zijn trekkracht. Onder invloed van de fokmethodieken onderging het ras een morfologisch verandering, die haar meer geschikt maakte als vleeskoe. Waar het rund voorheen een reusachtige torso had met een relatief nauwe achterhand, werd het werpen makkelijker door veranderingen in het skelet en fokte men op bespiering. De extensieve veehouderij, die veel land vraagt, droeg ertoe bij dat kleine boeren hun land verlieten en dat de achtergelaten gronden (friches) door bos en bramen werden opgeslokt.

 

Naar een paradigma-switch…

Na Villapourçon blijft de tocht spannend en vraag je je bij elk hellinkje af, welk uitzicht je nu weer te wachten staat. Het is het voordeel van een tocht door het laaggebergte: het perspectief verandert voortdurend. Dit laatste maakt ook dat het in een terrein als dit voor veel mensen moeilijk is zich te oriënteren. Waar je je in het hooggebergte kunt afstemmen op één of twee bergen in de omgeving, zijn de heuvels in de Morvan soms nogal nondescript. Een uitzondering moet gemaakt worden voor de 581m. hoge Touleur, een topje boven Larochemillay. Door zijn pyramidevorm is hij nogal karakteristiek en zo kun je van verre zien waar Larochemillay ligt.

 

Het nieuwe uitzicht
Onlay op afstandOnlay op afstand

Na bij La Courbasse de D18 weer te zijn overgestoken, krijg je bij Thard het volgende plaatsje: Onlay, te zien.

 

 

De route beweegt zich vervolgens over kleine weggetjes tussen de maïsvelden, weer over de D18, naar Onlay.

 

Ville fleurie

 

En hier, zou je denken,  dan eindelijk een ‘village fleuri’ dat zijn naam daadwerkelijk waar maakt. Alleen staat Onlay volgens mijn informatie niet ingeschreven bij ‘les villes et villages fleuris’.

 

Un label au service de votre qualité de vie

Riche de plus de 50 ans d’histoire, le label des villes et villages fleuris mobilise près d’un tiers des communes françaises, plus de 4 000 d’entre elles sont labellisées.

Evoluant avec les attentes des citoyens, le label s’engage aujourd’hui sur les enjeux tels que la qualité de l’accueil, le  respect de l’environnement et la préservation du lien social.

Certaines communes sont de grandes villes bien connues, d’autres de petits villages.
Vous serez de toutes façons séduits par leur charme et leurs atouts !

 

Desondanks een mooi initiatief, dat gericht is op de leefomgeving van mensen. Dat een derde van de Franse gemeentes hier min of meer aandacht aan besteedt, geeft de burger moed!

westwaarts uitzicht

 

Na Onlay buigt de route naar het noorden, voert over een kammetje door het Bois des Courveaux en biedt uitzicht op het typisch Morvanese hagenlandschap.

 

 

Lieudits van een paar huizen: Les Michots

 

Vlak voor Le Châtelet

Tot mijn verrassing bood de Yonne tussen Fâchin en Le Châtelet de aanblik van een ware ‘cascade’. Nergens op internet zie ik daar een verwijzing naar. Maar gaat dat zien, het is spectaculair!

 

 

Le Châtelet

 

Na Le Châtelet was het zaak om een plek om te bivakkeren te zoeken. Op een keer in de Veluwe na had ik nog nooit eerder met een hond gebivakkeerd. De vraag was, of ik Diable vast moest leggen, opdat ze niet midden in de nacht op sjouw zou gaan achter één van de ritselende diertjes die je in zo’n bivak vaak omringen. Maar het werd me al spoedig duidelijk dat Diable de nacht gebruikte om te slapen, zodat ik haar kon verlossen van de kettingconstructie die ik had gemaakt. Ook tijdens de vier bivaks die volgden bleef ze trouw aan mijn zijde liggen op het dekentje dat ik daartoe had meegebracht. Vaak at ze zelfs niet, maar viel meteen in slaap. Waarschijnlijk vergden de wandelingen van rond de 40 km. toch het nodige van haar, vooral omdat haar niet de tijd vergund was om te slapen.

 

Eerste bivak in Les Ombras, na Le Châtelet

 

8.30: Klaar voor vertrek!

 

Zo’n bivak is een hele organisatie. Spullen die je ’s nachts mogelijk nodig hebt, zoals een zaklantaarn, W.C.papier, moeten volgens een vast patroon om je heen worden gelegd, voor het grijpen. Andere zaken blijven in de rugzak, opdat je ze allemaal bij elkaar hebt om mee de bivakzak in te nemen, mocht het gaan regenen. Het voordeel van in je eentje zijn, is dat je hierin gewoontes kunt ontwikkelen die impliciet blijven. Heb je een reisgenoot, dan duurt het een paar dagen voordat je in dit opzicht op elkaar bent ingespeeld. Met een hond gaat het makkelijker, die is gewend om woordeloos te communiceren en vormt daardoor geen stoorzender.

’s Ochtends keert het avondritueel zich om en nu is het zaak de rugzak zo in te pakken, dat alles wat overdag mogelijk nodig is, bij de hand is. Eerst verdwijnen daarom de slaapspullen in de krochten van de zak. Water en voedsel vormen de sluitsteen. Daar winkeltjes schaars gezaaid waren op de route, deed ik mijn ontbijt meestal met bramen die ik onderweg aantrof. Soms mijn lunch ook. Wat eten betreft waren Diable en ik aan elkaar gewaagd. Hoewel een groot deel van het gewicht dat ik droeg uit hondenvoer bestond, had Diable (zie foto) de neiging om dat te begraven, ‘voor later’.

 

Mûre

 

Aan bramen geen gebrek in de Morvan! In de vele heggen die dit gebied rijk is, telen ze wierig. In feite wordt de ‘ronce’ als onkruid beschouwd  en spreekt men van een ‘ronceraie’ als een braakliggend stuk land (une friche) overwoekerd wordt door bramen en andere stekelplanten, zoals de sleedoorn (prunellier épine). Elke boer moet aan de randen van zijn land op zijn hoede zijn voor het oprukken van de ronceraie. Vandaar ook dat de heggen nietsontziend geschoren worden om ze in toom te houden. Langs de wegen bij ons in de buurt treft men daarom weinig bramen aan. Maar op de paden en binnenweggetjes van de tour du Morvan was het andere koek. Het was kennelijk een goed jaar en ik kon me de luxe veroorloven slechts de dikste exemplaren te plukken. Tot mijn verbazing trof ik die ook in de buurt van dorpen aan. Men neemt vaak niet de moeite ze te plukken.

Uitzicht op Chateau Chinon/ Satiau-Sgnion (morvandees)

 

De hele tijd op rond de 600m. lopende, bood de tour deze tweede dag vanuit verschillende gezichtspunten een blik op Chateau Chinon, dat oostelijk gepasseerd wordt. De oerlelijke ‘witte schimmel’ van nieuwbouwhuizen die zo storend is als je het stadje vanuit het Zuiden binnenrijdt, biedt op een afstand een acceptabele indruk. Het geeft wel te denken dat de meeste historici zich scharen achter het idee dat ‘Chinon’ van het Gallische ‘Can-nein’ komt, hetgeen ‘witte top’ betekent. Men adstrueert deze etymologische gedachtegang door te poneren dat de winters vroeger koud en wit waren. Maar dan had elk stadje op een heuvel wel de toevoeging ‘Can-nein/ Chinon’ kunnen krijgen. Neen, er is hier meer in het spel! De Eduens, keltische Galliers, hadden eenvoudigweg een vooruitziende blik en voorspelden de kleur die Chateau Chinon zo’n 2000 jaar later zou aannemen. Dat het stadje ook nog eens een president van Frankrijk zou leveren was voor de toenmalige zieners een brug te ver. Maar Mitterrand trachtte hen een handrijking te doen, over de eeuwen heen: hij speelde serieus met de gedachte zich op de Mont Beuvray (waar vroeger de hoofdstad Bibracte lag) ter aarde te laten bestellen, zoals het in die jaren een Gallische hoofdman betaamde.

 

Frankrijk is de eerste producent van het hout van de sapin douglas (Pseudotsuga Menziesii) en de Morvan draagt hier,  met 14m3 groei per hectare per jaar, haar steentje aan bij. Doordat je de boom zoveel ziet, zou je bijna vergeten dat hij oorspronkelijk uit Canada komt en pas in 1842 in Frankrijk is geïmporteerd, na al eerder in Engeland te zijn geïntroduceerd door ene mijnheer Douglas. Daar waar men het oude landschap in ere wil herstellen, zoals op de Mont Beuvray, waar rond het begin van de jaartelling enige honderden tot duizenden (!) mensen woonden in de hoofdstad Bibracte, wordt de den weer door eiken vervangen, immers de dragers van de maretak, waarvan volgens overlevering wordt gezegd dat hij, gekookt met enkele andere kruiden, een drank kan leveren die onoverwinnelijk maakt. Sinds Astérix en Obélix is er niets afgedaan aan de mythische krachten van de mistletoe (viscum album). Naast het idee dat je elkaar er straffeloos onder mag kussen, wil het gerucht dat het een belangrijk bestanddeel zou zijn in de strijd tegen kanker.  Daar helpt het hout van de Douglas dan weer niet tegen.

 

 

Nu we het toch over parasieten hebben, een paar gedachten over klimop. Het overwoekerde huis dat ik tegenkwam op de tweede dag, denkelijk in Les Petits, vormt kennelijk een goede voedingsbodem. Huizen die voor 1920 zijn gebouwd, toen er nog geen cement was en men voegde met zand en kalk, kunnen er door klimop op achteruit gaan. Zit er echter cement in de voeg, dan kan klimop een welkome gast zijn bij het bestrijden van vochtige muren en ter isolatie.

Hoe zit dat dan met bomen? Welaan: klimop heet geen parasiet te zijn. Waar wij op en rond ons terrein de nodige stervende bomen zien met volop klimop, moeten we ons idee dat de klimplant de bomen doodt inruilen voor de kennis van experts, die het tegendeel beweren. Wel kan klimop op een stervende boom natuurlijk straffeloos zijn gang gaan. De notenboom die ik op een dag van klimop ontdeed, in de hoop dat hij ons de nodige walnoten zou gaan leveren, is dus waarschijnlijk, ondanks al mijn inspanningen, ten dode opgeschreven. De maretak echter, is wel degelijk een half-parasiet. In tegenstelling tot de klimop onttrekt hij water en voedsel aan de gastheerboom.

 

 

Bij Les Rollots steekt de Toour du Morvan de D978 over, die Nevers (de hoofdstad van La Nièvre) met Autun (voormalige hoofdstad van de Galliërs) verbindt, via Chateau Chinon en Celle-en-Morvan. Mijn wandelkaart Mont Beuvray gaf aan hier rechtdoor richting Les Petits en Le Chaz te gaan, maar de markering verbood me dit pad in te slaan. Er stond een groot geel-rood kruis, hetgeen betekent: HIER NIET! De aanwijzingen volgend belandde ik op een pad parallel aan de D978, kennelijk richting Arleuf. Mijn gevoel, verstand en de kaart volgend, besloot ik terug te keren op mijn schreden en het mooie pelgrimsweggetje naar het Noorden te volgen.

 

 

Het is een probleem dat me een dag later tot mijn schade en schande vér van de eigenlijke route zou brengen. De Tour du Morvan kent omwegen, zijwegen en afsnijdsels, die niet als zodanig staan aangegeven maar wel vrolijk worden gemarkeerd. Volg je – zonder kennis van de kaart – eenvoudigweg de rood-geelgestreepte markering, dan kun je nog wel eens op je neus kijken.

 

 

Dankzij mijn waakzaamheid belandden we zonder verdere omwegen in Le Chaz. Hier vroeg ik water aan een mevrouw, die me vriendelijk vroeg of ik water van haar wenste, of me wilde vervoegen bij het point d’eau. Ik dacht dat dat mogelijk een stroompje was, dus vroeg of ik water uit haar ‘robinet’ kon krijgen. Later op de route constateerde ik dat ook het ‘point d’eau’ een kraantje was, ten behoeve van trekkers zoals ik. Zo groots kan Frankrijk zijn.

In Le Chaz merkte ik voor het eerst dat mijn rugzak voor Diable een vervanging kon zijn voor mezelf. Wilde ik me zonder rugzak in winkeltjes begeven, dan vlijdde ze zich er naast neer en wachtte zonder enige spanning op me. Ik heb mijn sparring-partner in haar gevonden!

 

 

In de Morvan zijn er op meerdere plaatsen referenties aan de Kelten (Eduens) die hier rond de jaartelling woonden. Ze zijn bekend geworden door de stripverhalen over Astérix en Obélix, maar de Morvan – en met name de Bibracte – vormt ook daadwerkelijk één van de weinige bronnen van kennis over deze beschaving. Elk jaar komen er studenten archeologie om op de Mont Beuvray stukjes van het verleden op te graven. Het werk is voorlopig nog niet af: de opgravingen vinden over een groot gebied plaats. Overal langs de wegen die naar de top leiden staan ‘queules’. Dit zijn eiken die aan de voet uit fantastische vormen bestaan, omdat ze als jong boompje werden omgebogen om in heggen dienst te doen.

Minder bekend dan de Bibracte is het gallo-romeinse theater, waarvan de overblijfselen gevonden zijn bij het plaatsje Les  Bardiaux (in de oudheid Boxum geheten). Dit voormalige stadje lag op de kruising van twee belangrijke wegen: die van Alésia naar Gergovia en de weg die het Saônedal met het Loiredal verbond. In het theater, dat in de 2e eeuw werd gebouwd werden naast theatervoorstellingen waarschijnlijk ook godsdienstige bijeenkomsten gehouden. In de 5e eeuw gooide het opkomende Christendom roet in het eten: de voorstellingen werden onzedelijk gevonden en het theater raakte in verval.

 

 

Na Les Bardiaux kun je weer een blik op Chateau Chinon werpen, zo’n beetje precies op de plek waar de wandelkaart 1:25.000 ‘Mont Beuvray’ overgaat op de kaart ‘Château Chinon’. Het was voor het eerst dat ik deze kaart ging gebruiken. Nog geen ‘gebruikerssporen’, gloednieuw, heerlijk!

Chateau de Lavault-de-Frétôy
Lavault-de-Frétoy heet het meest beboste dorp in de Morvan te zijn en inderdaad: vanaf Les Bardiaux loop je, op wat weiland rond een enkel dorpje na, bijna continue door het bos. Ook daarna kan de bosliefhebber zijn hart ophalen. Tot het Lac Pannecière is het eveneens één en al bos.
In de Nièvre mag je niet bedelen!

Le Mendiant (Victor Hugo 1854)

Un pauvre homme passait dans le givre et le vent

Je cognai sur ma vitre; il s’arrêta devan

Mon port, que j’ouvris d’une façon civile.

Les ânes revenaient du marché de la ville,

Portant les paysans accroupis sur leurs bâts.

C’était le vieux qui vit dans une niche au bas

De la montée, et rêve,anttendant, solitaire,

Un rayon du ciel triste, un liard de la terre

Tendant les mains pour l’homme et les joignant pour Dieu.

Je lui criai: -Venez vous réchauffer un peu!

Comment vous nommez-vous? Il me dit: – Je me nomme

Le pauvre. – Je lui pris la main: – entrez brave homme

Et je lui fit donner une jatte de lait.

Le veillard grelottait de froid; il me parlait.

Et je lui répondais, pensif et sans l’entendre.

– Vos habits sont mouillés, dis-je – il faut les étendre

Devant la chéminée. – Il s’approcha du feu.

Son manteau, tout mangé des vers et jadis bleu

Etalé largement sur la chaude fornaise

Piqué de milles trous par la lueurs de braise,

Couvrait l’âtre, et semblait un ciel noir étoilé

Et pendant qu’il séchait ce haillon désolé

D’où ruisselait la pluie et l’eau des fondrières,

Je songeais que cet homme était pleine de pières

Et je regardais, sourd à ce que nous disions

Sa bure où je voyais des constellations.

 

Kerkje van Frétoy/ l’Huis Vacher?

 

Of bovenstaand kerkje/ kapelletje nu in Lavault-de-Frétoy, het er vlak onder gelegen l’Huis Vacher of in Frétoy – weer iets verderop – ligt, kan ik nu niet meer achterhalen. Ik gok op l’Huis Vacher, omdat ik al eerder, mogelijk vanuit Lavault-de-Frétoy het kasteel heb gefotografeerd. Maar voor hetzelfde geld is het Frétoy. Internet is hierover niet duidelijk.

De plaatsnaam l’Huis is typisch voor de Nièvre en komt van het Latijnse ‘ōstium’, dat ingang, uitmonding of opening betekent.  In de medische wereld wordt deze term veelvuldig gebruikt, zo heb je bijvoorbeeld het ostium mitrale, de opening tussen linker en rechter hartboezem en het ostium uteri, de baarmoedermond.  Het schijnt dat er met name na de honderdjarige oorlog en de pestepidemie in de 14e en 15e  eeuw planmatig braakliggende stukken land zijn bebouwd, om de bevolkingsgroei in de Morvan te stimuleren. Deze nieuwe gehuchten, die geïsoleerd lagen van de dorpen waarbij ze werden ingelijfd, droegen niet zelden de plaatsnaam Huis, gevolgd door de naam van de initiatiefnemer van de bouw. In de Morvan kun je meer dan honderd van deze ‘hameaus’ vinden.

l’Huis wordt ook in het hedendaagse Frans nog gebruikt in de betekenis van ‘deur’. De meest bekende eenakter van Sartre heet ‘Huis clos’, hetgeen je zou kunnen vertalen als ‘Achter gesloten deuren’. ‘Le huis clos’ is een verhoor met gesloten deuren. Het is bovengenoemd stuk van Sartre, waar het bekende en vaak verkeerd opgevatte citaat vandaan komt ‘l’Enfer, c’est les autres’.

 

Even pauzeren bij het kerkje

 

Hoewel we wel eens korte tijd pauseerden, vooral om de flesjes water bij te vullen, duurde dit nooit langer dan een kwartier à twintig minuutjes, op de twee keren na dat ik een glaasje wijn op een terrasje bestelde. Diable draafde de hele route vrolijk met me mee en toonde geen enkel teken van vermoeidheid.

 

Na de drie kleine plaatsjes kom je volgens de kaart langs de ‘Fou de Verdun’ (Verdunum, le haut-lieu, le lieu qui domine). Een fou is een woord uit de streektaal (patois) dat ‘beuk’ (hêtre, foyard) betekent. Deze beuk werd van generatie op generatie vereerd en elke keer weer herplant. Er hebben hier al in 600 v. Chr. Kelten gewoond en er schijnt ook een vesting te zijn, naar typisch neolytisch gebruik gebouwd op een éperon barré. Letterlijk vertaald is dit een ‘afgesloten spoor’ (van ruiters of dieren), maar in dit verband gaat het om een geaccidenteerde plek, die aan drie kanten steil afloopt. De vierde kant – de toegangsweg – waar de helling geleidelijker is, wordt afgesloten door een muur. Zo maakten de Kelten, ook in de Bibracte op de Mont Beuvray, handig gebruik van de kenmerken van het landschap. De burcht hier ter plekke diende waarschijnlijk niet als permanente verblijfplaats, maar om zich – om welke reden dan ook – een tijd op terug te trekken.

 

Chapelle de Faubouloin

 

Daarna is het weer één en al bos, dat de klok slaat. Totdat je, midden in het bos waar diverse bronnen ontspringen, die ooit een heilige betekenis hadden, la Chapelle de Faubuloin aantreft. Helaas heb ik de fout begaan me pas na het lopen van de route te gaan verdiepen in de in’s en de out’s ervan, zodat ik ter plekke niet volledig kon apprecieren wat ik aan schoons en aan historisch beladen plekken tegen kwam. Het is misschien wel aanleiding de route nog eens te lopen, bijvoorbeeld tegen de klok in, in plaats van, zoals deze keer, met de klok mee.

Pour planter le décor, imaginez une colline dominant d’un côté les gorges (nl: de engten) de la rivière Oussière, recouverte d’une forêt humide, luxuriante, et par-ci, par là, des amas rocheux (nl: stapels rotsachtige stenen) recouverts de mousse. Pour ceux qui ont lu Tolkien, le hameau le plus proche s’appelle « Lorien »…

Corancy_fraxinus_excelsior_1a

 

Le site de Faubouloin devait être aux temps anciens un lieu de culte (nl: eredienst) défensif. La toponymie nous apprend qu’ici se trouve l’endroit du frêne (nl: es) de Belen : fau, ou fou, le hêtre (nl: beuk) en patois local, et bouloin, le dieu Belen. 

Tsja, of het nu om een beuk gaat, of om een es – dat blijft enigszins duister. Maar die verwarring is dan ook inherent aan de Keltische mythologie. Je moet je voorstellen dat de Kelten destijds een groot deel van Europa bevolkten, maar – letterlijk en figuurlijk – niet met één mond spraken. Ze hadden talrijke Goden, waaronder ook voorouders en Koningen, die – om het voor archeologen nog eens moeilijker te maken – zich enerzijds vermengden met Goden van andere stammen en anderzijds per stam verschillend werden benoemd. Zo hadden de Kelten in Ierland een God ‘Toutatis’, die opmerkelijke gelijkenis toont met de Gallische God ‘Nuada’. Desondanks zijn er ook een paar verschillen.

 

Belenos

Van Belenos, waar hierboven sprake van is, staat in ieder geval vast dat hij een zonnegod  was en zich bezig hield met vuur en licht. Waarlijk een God van Appollonitische (sol invictus) afmetingen!

Lac de Pannecière

 

Bij het gehuchtje Denault kun je, na een bosrijke wandeling, de eerste uitloper van het ‘réservoir de Pannecière-Chaumard’ zien liggen. Ik haastte me enigszins, in de hoop in Chaumard nog een winkeltje open te treffen om provisie in te slaan. Los van het hondenvoer, dat ik nu al twee dagen torste zonder dat Diable ernaar had getaald, was ik door alle voorraden heen. Je zou toch zeggen dat zich rondom zo’n waterbekken een toeristenindustrie zou hebben ontwikkeld, met de bijbehorende commercie?

 

L’Houssière

 

Het kunstmatige meer wordt gevoed door de Houssière, die reeds bij de Chapelle Faubuloin ter sprake kwam – en de Yonne, die we op de eerste dag ontmoetten. Het is in 1949 tot stand gekomen in een poging de toevloed van Yonne en Seine bij de laagste waterstand te vergroten en om overstromingen in de benedenloop van deze rivieren te voorkomen. Bij de stuwdam wordt ‘witte steenkool’ (houille blanche) gewonnen, waarover ik in mijn aardrijkskundeboekjes als kind al las, dat Frankrijk er een meester in was. Ik heb de indruk dat de kerncentrales deze groene energie nu overheersen, maar wie weet wordt er een voorbeeld aan Duitsland genomen, worden er geen nieuwe kerncentrales gebouwd en herstelt men de oude methodiek in ere.

 

Chaumard

 

Dans le Morvan comme dans toute la France, chaque village disposait d’une école communale pour les garçons et d’une autre pour les filles. Ces écoles ont été construites à la fin du XIXème siècle lorsque l’enseignement a été rendu obligatoire sous l’impulsion de Jules Ferry.

Bien souvent en Morvan ces écoles ont été construites en même temps que la mairie, dans un même espace, avec des matériaux locaux mais dans une architecture assez stéréotypée.

Ce n’est qu’un siècle plus tard, à partir des années 1970, que l’école est devenue mixte. Aujourd’hui, avec la baisse de la population rurale, beaucoup d’écoles sont fermées et des regroupements ont lieu au niveau intercommunal.

 

Tweede bivak

 

Hoewel Chaumard niet bepaald een wereldstad bleek, was er een soort kioskje. Het was open en bleek ook levensmiddelen te verkopen. Brood kon ik voor de volgende ochtend bestellen, zei de vriendelijke eigenaar, maar dat sloeg ik af. Ik was immers van plan een klein uurtje verderop de route te bivakkeren en had geen zin deze weg ’s morgens weer af te leggen. Ik kreeg nog een reprimande omdat ik mijn versnaperingen betaalde met een verkreukt briefje van 5€. Dat was geen stijl, vond de man. Toen ik mijn rugzak buiten stond in te pakken, kreeg ik nota bene weer aanspraak, van een vrouw die Diable zo’n bijzondere hond vond. Dat is ze ook! Na een half uurtje klimmen vonden we in de buurt van de fontaine St. Pierre (ook weer plek waar de Kelten een heilige betekenis aan toekenden) een geschikt plekje. Het werd tijd ook: het schemerde.

 

In diepe slaap

 

Terwijl Diable in diepe rust verzonken was, las ik nog wat in ‘Why people believe weird things’ van Michael Shermer. Voorwaar een geschikt boek in deze van mythes doordrenkte regio. Beter ware het natuurlijk geweest als ik dit boek in het Frans had gelezen. Maar dan had ik woordenboeken moeten meenemen en dat ging me wat te ver. Mijn aftandse rugzak gaf ook zonder dat extra gewicht al voldoende overlast.

 

Bij het ochtendgloren

 

 

 

 

Na Chaumard klimt de route een eindje, om boven het Lac de Pannecière uit te stijgen, dat je hierboven ten zuidwesten ziet liggen. Bij een stijging moet je je in De Morvan echter geen illusies maken. Een meter of 200, 250 achtereen – en dan heb je het wel gehad. Het landschap is over het algemeen vriendelijk glooiend en zal de gemiddelde wandelaar niet veel inspanning kosten. En zo zetten Diable en ik die ochtend onze tocht voort, richting het gehuchtje ‘Les Quatre Vents’.

  • Les Quatre-Vents, nommés ainsi, à cause de leur situation au sommet de la montagne, à 460 mètres d’altitude étaient dans la dépendance de la châtellenie de Montreuillon. La montagne voisine à 571 mètres comportait jadis un signal.

 

 

Relatief hoog gelegen schonk Les Quatre Vents ons naar het zuiden een uitzicht over de bossen, waar we de vorige dag gelopen hadden. Daarna verdween dit uitzicht achter de Mont Panoncieux (574m.) en zette de route zich naar het oosten voort.

 

 

Verderop naar het noorden stuitten we op de lieflijke ‘Moulin des Vernes’ en deze molen is voor mij aanleiding om eens en vooral uit te zoeken waar die geheimzinnige term ‘verne’, die niet in de woordenboeken voorkomt, nu eigenlijk op slaat. Dit temeer daar wij in het bezit zijn van een weide van een 2 Ha, die de naam ‘Pré de Verne’ draagt. Maar de oplettende Morvan-ganger zal het woord vaker tegenkomen, als toevoeging bij plaatsnamen, bijvoorbeeld.

Gelukkig kan ik mijn nieuwsgierigheid naar de betekenis en de etymologie van woorden sinds een paar maanden bevredigen op de site ‘wictionnaire’ en die biedt inderdaad uitkomst. Verne, zegt men daar, is afgeleid van vergne. Ook dit woord staat echter niet in het woordenboek. Wel in het onvolprezen wictionnaire, dat ons vertelt dat het woord van het Gallische ‘verno’ afstamt, hetgeen ‘aulne’ (els) betekent. We hebben hier dus te doen met een molen, omringd door elzen. En met plaatsjes als Elsloo, Elst en Elzenbroek, maar dan in Frankrijk. En onze wei is de ‘elzerweide’. Overigens blijkt op internet dat de molen door Nederlanders wordt bewoond, die er een kleine camping hebben en gîtes verhuren.

  • Nous gagnons une prairie isolée, […], près d’un ruisseau qui coule; à l’ombre d’un vergne que le vent agite. — (Jean Giraudoux, Retour d’Alsace – Août 1914, 1916)

 

Dat er bij een molen aan het water elzen groeien, is niet onwaarschijnlijk. De els (alnus) is een vochtminnende boom, die ook nog eens zacht hout heeft, waarvan in vroeger tijden door boerenfamilies veel gebruiksvoorwerpen werden gemaakt. Dat hout rot vlug weg in de buitenlucht, maar is ondergronds bijna onbeperkt hou(t)dbaar, vandaar dat Amsterdam gedeeltelijk op heipalen van elzehout is gebouwd. Net als de wilg kan de els goed geknot worden en hij wordt dan ook wel ingezet als windvanger langs bijvoorbeeld boomgaarden. Op de foto hierboven elzekatjes, die al bloeien voordat er blad is.

 

 

Maar er zijn meer betekenissen van ‘verne’, hoewel die in deze contekst misschien wat ver(n) gezocht zijn. Wictionnaire vermeldt dat het woord wel eens uit het Oudnoors zou kunnen komen:

  1. Défendreprotégerpréserverappuyer.
    • Verne land og rike.
      Défendre le pays et le royaume.
    • Verne seg mot smitte.
      Se protéger contre l’infection.
    • Verne natur mot inngrep.
      Préserver la nature contre l’empiètement.

En zo brengt een tocht door de Morvan je weer op een studie oudnoors, als je niet oppast…

 

In het plaatsje Montpensy, een klein eindje verderop, een telefoonnummer van twee cijfers op de muur. Uit welke tijd het stamt, valt moeilijk te zeggen. In 1881 werd het eerste telefoonnet van Nederland aangelegd in Amsterdam. Bierbrouwer Heineken had toen telefoonnummer 61. Maar we hebben het hier over een grote stad. Toen ik in het 250 inwoners tellende dorpje Boazum, in Friesland, woonde, hadden we tot de jaren ’90 een driecijferig nummer. In Montpensy kan hetzelfde het geval zijn. Het is mogelijk dat Octave Renault een famielid is van een andere Octave Renault, die in de Côte d’Or woonde en in de eerste wereldoorlog is gesneuveld, evenals zijn broer. Maar dat hijzelf toentertijd al telefoon had, is buitengewoon onwaarschijnlijk.

Octave et Georges RENAULT, deux frères morts à la guerre

Il s’agit des oncles de Pierre Renault, Octave et Georges. Ils sont nés dans une famille pauvre de cultivateurs de 12 enfants, au Chemin d’Aisey en Côte d’Or : Octave RENAULT en 1889 et Georges RENAULT, en 1892. Georges y est agriculteur, célibataire au moment de la mobilisation. Avant la guerre Octave est, lui, militaire de carrière, engagé à 18 ans ; il est alors fiancé. Au moment de la mobilisation, il est à l’école de Saint-Maixent. Au moment de sa disparition, il fait partie de la 13ème compagnie, du 208e régiment d’infanterie. Il a notamment été mobilisé en Tunisie. D’après un extrait d’article de journal, Octave a été lieutenant à titre provisoire au 45e régiment d’infanterie, et a été nommé Chevalier de la Légion d’honneur suite à une action menée le 17 décembre 1914, pendant laquelle il a été blessé. Octave et Georges sont tous les deux morts à la guerre, le premier en 1917 et le second en 1916 ; ils sont enterrés au cimetière du Chemin d’Aisey (21). D’après une de ses lettres, datée du 12 mars 1916, Georges est blessé et a reçu des éclats d’obus dans le bras, la jambe et l’oeil droits. Pierre Renault n’a pas connu ses deux oncles morts au combat. Il trouve que c’est important de participer à la Grande Collecte pour qu’on ne revoit pas un tel carnage un jour.

 

 

Met bovenstaande foto, vlak voor Fonteny genomen, slaan we een heel stuk over, waarin echter wel het één en ander gebeurde. Vanaf Montpensy vervolgt de route zijn weg naar het noorden. Het was opvallend daar de nodige wandelaars tegen te komen, ook mensen met honden. Op een mountainbiker na, die hysterisch op de vrolijk kwispelende Diable reageerde, was ik nog niemand tegengekomen onderweg. Nu was het niet bepaald een drukte van belang op het karrespoor naar Ouroux-en-Morvan, maar ik haalde op de heenweg zeker drie mensen in en kwam er ook een stuk of drie tegen, die de andere richting op gingen, met stokbroden onder de arm! Mijn maag, gewend aan spaarzame bramenmaaltijden, gaf een verheugde knor en ik spoedde me naar dit zegenrijke plaatsje, dat bovendien beschikte over een uitspanning waar ik koffie kon krijgen, terwijl Diable de straten onveilig maakte met een plaatselijk hondje. De bakkerij viel wat tegen: gebroken ruiten en een haveloze voorgevel aan de buitenkant en 3 croissants en wat witte stokbroden binnen. De croissants kocht ik van een vrouw die in dit geheel prima leek te passen en de stokbroden liet ik achter voor de liefhebbers. Welgemoed en met gevulde maag vervolgde ik mijn pad.

Misschien dat mijn eufore stemming me wat achteloos maakte, misschien ook liet ik me teveel leiden door de markering en zette ik m’n richtingsgevoel uit – hoe het ook zij: na het oversteken van een weg meldde een bordje dat het Lac des Settons nabij was. Maar dit was ver bezijden de route! In plaats van op mijn schreden terug te keren besloot ik op gevoel in noordwestelijke richting te lopen, in de hoop weer op het goede pad te geraken. Na enige omzwervingen door het fôret Dagoulet kwam ik toen uren later iets boven Le Boulard (niet zo heel erg ver van Ouroux-en-Morvan!) weer op de route uit. Ook dit soort perikelen horen bij een trektocht. Het is zaak desondanks van de ambiance te genieten, want gemarkeerd of niet, de weggetjes en paadjes door de Morvan zijn het waard.

 

In Fonteny troffen we een halsbandloos zwart hondje, waar Diable heerlijk mee speelde. Ik vond het fijn dat ze vandaag al voor de tweede keer een vriendje trof en laste een pauze van een half uurtje in, om haar het plezier te gunnen. Maar toen ik verder liep, liep het hondje mee! Een passerende boer op een tractor zei: ‘Loop maar gewoon door, die gaat wel weer naar huis.’ Maar na een kwartier lopen maakte het hondje nog geen aanstalten. Hij vond het veel te gezellig zo. Dus toog ik in arrenmoede weer naar Fonteny, waar niemand thuis bleek te zijn. Gelukkig echter was daar weer de boer met de tractor, die wist waar de hond woonde. Zijn baasjes waren niet thuis, maar in de tuin zag ik inderdaad een hondenhok met een ketting. Daar liet hij zich evenwel niet aan vastmaken en ik dacht al dat ik tot het avondeten in Fonteny zou moeten blijven, toen bleek dat het hondje zo geschrokken was van mijn pogingen hem te vangen, dat hij ons links liet liggen. Vlug gingen Diable en ik er vandoor.

 

 

Brassy had een terrasje, waar ik weer een glaasje wijn dronk. De kelner kon niet praten, maar bewoog wel zijn mond alsof. In Saulieu zou ik een aantal dagen later opnieuw een kelner tegenkomen met hetzelfde mankement. Iemand vertelde me, dat dit een gevolg van inteelt zou zijn en zei verontschuldigend: ‘Dat is normaal, immers? Dat zullen ze in Nederland toch ook wel kennen?

 

 

Het derde bivak brachten we door iets boven Brassy, op de hellingen van Les Gueutottes. Het werd tijd telefoontje en fototoestel op te laden. Gelukkig had ik daartoe een oplader bij me, die werkte op zonne-energie.

 

En plein nuit

Alweer een stralende ochtend, deze vierde dag. De route naar Bonnetré wees zich niet vanzelf, maar na gisteren was ik meer op mijn hoede.

Via voornamelijk landerijen kwam het reservoir de Chaumeçon in zicht.

 

 

 

Ook dit is weer een stuwmeer, dat zich uitstrekt over 135Ha. Groene electriciteit genoeg in de Nièvre, zou je zo zeggen. Via L’Haut de Chaud liepen we tenslotte van de wandelkaart ‘Chateau-Chinon’ af, om via het Bois de Chaumeçon en een dalletje dat La Verne (!) heet, via Mazignien Coutôlles een hoekje van de kaart Avallon/Vézelay af te snijden.

 

 

 

Het moet in de buurt van La Verne zijn geweest, dat we het volgende monumentje tegenkwamen:

 

Dit markeert voor mij – achteraf gezien – de overgang van het gedeelte van de route waarbij je wordt geconfronteerd met de relicten van de Kelten naar een gedeelte waar veeleer wordt verwezen naar de Tweede Wereldoorlog. Het verzet in de Morvan was hevig en je had allerlei groepen van de ‘maquis’ (ondergrondse) die zich verscholen in de bossen of zich vermomden als bosarbeiders. In de meeste gehuchten konden ze wel schuilen, zonder gevaar te lopen te worden verraden.

De naam ‘maquis’ verwijst naar een biotoop met mediterrane struiken, waartussen men zich in zuidelijk Frankrijk schuil hield.

Bovenstaande link verwijst naar een chanson, waarin de maquis wordt verheerlijkt:

Ceux du Maquis
(F.Chagrin/M.Van Moppez)
 
Cette chanson populaire de 1944 exalte les maquis enfin sortis de la clandestinité et les réfractaires au Service du Travail Obligatoire qui ont composé le gros des troupes au moment des combats de la libération.
 
Ils se sont enfuit dans la nuit
Pour ne pas aller en Allemagne
Quittant leur parents, leurs amis
Se cachant dans la montagne
Et pour mieux servir leur pays
Ils ont pris le maquis
Ce sont ceux du maquis
Ceux de la résistance
Ce sont ceux du maquis
Combattant pour la France
Bravant le froid, bravant la faim,
Défiant l’horrible esclavage
Bravant Laval, bravant ses chiens,
Sans jamais perdre courage
Ce sont ceux du maquis
Ceux de la résistance
Ce sont ceux du maquis
Jeunesse du pays.
Ils ont bravé tout les périls
Dans leur armée secrète
Sans souliers, sans pain, sans fusil,
Descendant de leur retraite
Souffrant et luttant jour et nuit
Nos amis du Maquis
Ce sont ceux du maquis
Ceux de la résistance
Ce sont ceux du maquis
Combattant pour la France
Bravant le froid, bravant la faim,
Défiant l’horrible esclavage
Bravant Laval, bravant ses chiens,
Sans jamais perdre courage
Ce sont ceux du maquis
Ceux de la résistance
Ce sont ceux du maquis
Jeunesse du pays.
Et le jour du débarquement
Et au bord de la victoire
Ils ont frappé les Allemands
En plein jour en pleine gloire
Se joignant à tous leurs amis
Nos amis du maquis
Ce sont ceux du maquis
Ceux de la résistance
Ce sont les F.F.I.
C’est l’armée la France
Contre nazis et miliciens,
Se battant dur, se battant bien
Ce sont ceux du maquis
Ceux de la résistance
Ce sont ceux du maquis
Jeunesse du pays.
 

 

 

Inmiddels had ik na veel geëxperimenteer met opgevouwen truien onder de draagbanden van mijn rugzak, een oplossing voor het draagongemak gevonden die beter voldeed en waardoor ik niet al mijn truien kwijtraakte. Ik stak eenvoudig mijn opgerolde draagmatje aan de voorkant onder de draagriemen en plooide het een beetje, zodat ik niet werd gekeeld. Af en toe moest ik de boel wel weer recht sjorren, maar het was een aanzienlijke verbetering ten opzichte van de vorige dagen, waarin de rugzak, eufemistisch uitgedrukt, onconfortabel zat, hoe ik het gewicht erin ook verdeelde. Dit was dan ook niet mijn oude trouwe rugzak, waarmee ik met gemak 25 tot 30 kilo kon torsen, maar een oud barrel dat iemand eens bij me had achtergelaten, waarschijnlijk om er af te zijn. De goede rugzak was, beladen en wel, op station Nunspeet met noorderzon verdwenen. Ik heb goede hoop dat iemand erg heeft kunnen genieten van de vele botten voor de honden die erin zaten.

 

 

Diable at nog steeds slecht en vanwege mijn draagproblemen had ik een gedeelte van het heerlijke hondeneten bij ons laatste bivakplaatsje voor de vossen achtergelaten. Verder voerde ik haar tijdens de route vleesreepjes, waar ze gek op is. En kwam ik eens langs een winkeltje, dan kocht ik een stuk vlees voor haar. Zelfs dat trachtte ze overigens soms te begraven.

Deze dag kwam ik voor het eerst andere wandelaars tegen, een groep van een man of 10, die waren uitgerust met nordic walking stokken. Gezien het feit dat de route nu en dan heel rotsachtig was, hadden ze hier volgens mij meer last van, dan dat het ze hielp hun knieën te ontlasten of zoiets. Ik was blij ondanks mijn asymmetrische rugzak, springend van steen op steen, m’n eigen evenwicht te vinden zonder ook nog eens met stokken te moeten dealen.

 

Dat er hier in de buurt terdege met pelgrims rekening werd gehouden, merkte ik in Coutôlles, waar een aardige dame me wees op een point d’eau. Daar tegenover was een picknicktafel gezet, om het de trekker zo confortabel mogelijk te maken.

 

 

Daar poogde ik nogmaals mijn portable op te laden, iets dat kennelijk vannacht niet was gelukt. Ik maakte me zorgen over het feit, dat ik Bjorna sinds Brassy niet meer had kunnen sms’en, terwijl het gebruikelijk was dat ik, als ik het bivak had geïnstalleerd, een teken van leven gaf en ook als ik na de nacht weer op pad ging.

Maar ook in Coutôlles gaf de telefoon geen teken meer van leven. Op de picknicktafel kon ik m’n kaarten goed uitspreiden om te zoeken naar een bewandelbare grotere plaats in de buurt, waar ik hoopte in een hotelletje of cafeetje te kunnen telefoneren op een tijdstip dat ik Bjorna bij de vaste telefoon verwachtte. Haar mobiele telefoon heeft een Nederlands nummer en ik vond niet dat ik bij particulieren kon vragen of ik dat mocht bellen. Ik zag dat ik bij La Chaume aux Renards, waar ook een gîte d’étappe was, van de Tour du Morvan kon afwijken door de GR13 – die ook langs ons domein loopt – naar het zuiden te nemen. Aan het eind van de dag zou ik dan in Dun-les-Places kunnen zijn, alwaar ongetwijfeld getelefoneerd zou kunnen worden.

 

 

Niet ver voorbij Mazignien, op een weggetje richting Chalaux, wordt verwezen naar Maquis Camille, een door de communistische Jean Longhi opgerichte tak van het verzet. Het is hier hemelsbreed ook niet ver van la Forêt Domaniale au Duc, waar hij zich pleegde te verstoppen. Ik vermoed dat het bordje verwijst naar ‘La ferme des Gothes’, waar zich het middelpunt van het plaatselijk verzet bevond.

Jean Longhi (1911 – 2005) est un résistant français né à Corte (Haute-Corse) le 9 août 1911 et décédé le 25 décembre 2005. 

Recherché, il se réfugie dans le Morvan et prend le surnom de Grandjean. Il crée alors en octobre 1941, avec son ami Paul Bernard, le Maquis Camille installé à la Ferme des Goth (d’où la tête de Goth représentée sur son insigne) dans la Forêt au Duc près de Quarré-les-Tombes, un des plus importants du Morvan. Il organise le premier parachutage anglais sur le Morvan, le 22 novembre 1942 près de Saint-Léger-Vauban. Il crée avec sa sœur un service de santé et un hôpital de campagne au château de Vermot.

Fin 1943, il est nommé par le Service National Maquis responsable de l’ensemble des maquis de la Nièvre. Après le débarquement, il reçoit au Maquis Camille les groupes SAS et les missions Jedburgh. Il participe à la libération de Nevers le 9 septembre 1944.

La résistance à la ferme des Goths
La ferme des Goths, située au lieu dit Les Goths, a accueilli lors de la seconde guerre mondiale l’état major du délégué militaire régional de la région P3 de la résistance (Aube, Yonne, Nièvre), ainsi que les états majors de la mission interalliée Verveine, de la mission Jedburgh et du Squadron SAS (près du Maquis Camille). La liaison radio quotidienne avec Londres sera assurée par trois émetteurs radios. Une plaque commémorative rappelle cet épisode.
On trouve également la stèle du Maquis Camille érigée vers 1950 en mémoire aux maquisards blessés (dont 1 mort) le 3 août 1944. Cette journée a marqué les résistants du Maquis Camille puisque les Allemands, informés de la présence d’états majors de la résistance dans ce secteur, attaquent la ferme. Ils n’arrivent cependant pas à bout des résistants qui étaient cependant 10 fois moins nombreux qu’eux.

 

 

Op naar ‘La Chaume aux Renards’, waar geen vos te bekennen was en ook geen hond, want de gîte d’étappe die daar staat waarschuwt nadrukkelijk dat honden er niet welkom zijn. Diable en ik zetten er daarom maar flink de pas in en weken hier af van de officiele route, om de GR13 naar het Zuiden te volgen. Daar het rond het middaguur was en zonnig, ontbeerde Diable de schaduw tijdens het klimmetje van 150m. Ze trachtte steeds in de kleine stukjes schaduw die de soms holle weg bood, te gaan liggen, om uit te hijgen. Maar het leed was snel geleden toen we eenmaal de bosrand bereikten en de afdaling naar Le Vieux Dun inzetten.

 

 

Hoewel we van de route afweken om in Dun-les-Places mogelijk te kunnen telefoneren, was deze plaats van een teleurstellende omvang en beschikte de matrone van het enige cafeetje niet over de telefoon. Die had haar man meegenomen. Ze wist niet waar hij was en wanneer hij terugkwam. Kennelijk was ik hier gestuit op een artefact uit de tijd dat mannen het voor het zeggen hadden. Soms denk je, door Frankrijk trekkend, in een tijdsmachine naar het verleden te zijn beland…

 

Van arrenmoede zochten we maar weer een plekje in het bos bij het gehucht l’Huis Gillot (wéér een l’huis!) in de nabijheid van Dun. Zoals de foto toont, waren we inmiddels goed georganiseerd.

 

 

 

Ik had in een kiosk in Dun zelfs een AD kunnen krijgen, zodat ik niet verstoken was van het Nederlandse nieuws. Dat dan weer wel, dat je in the middle of nowhere wordt bijgepraat over de carrière van Frans Timmermans. Ik hoopte maar dat hij zijn hoofd niet in een wespennest zou steken.

 

 

Het duurde niet lang of het duister had onze vierde bivakplaats in z’n greep. Ik sliep de diepe slaap der onschuldigen.

 

 

Het is altijd bijzonder ’s ochtends wakker te worden en boven je de bomen te zien. Op deze dag was ik er vroeg bij, nog steeds voortgedreven door het idee te moeten telefoneren. Et voilà, bij de overgang over de rivier Cure stond een cafeetje dat op dit onchristelijke tijdstip open was, koffie had en een telefoon! Na een half uur kreeg ik Bjorna daadwerkelijk te pakken en kon ik haar geruststellen. Ze had zich inderdaad al ingebeeld dat ik ergens met doorgesneden keel in de bossen lag en nooit meer gevonden zou worden.

 

 

Aan de overkant van de Cure was het improviseren geblazen om de Tour de Morvan weer op te pikken. Op de kaart ‘Quarré-les-Tombes leek het of er een gemarkeerde route door het bois de Chaumont liep, die vlak na bovenstaand boulderblok het bos in moest duiken. Dat daartoe over een privé-weggetje gelopen diende te worden, nam ik maar voor lief. ondanks het feit dat de paden van de Morvan in deze regio iets drukker bevolkt waren, behoorde een ontmoeting met andere wandelaars tot de zeldzaamheden.

 

 

Hoewel de verwachte markering ontbrak, wees de route zichzelf. Het bois de Chaumont moet niet verward worden met Chaumont-le-bois, een gemeente die ten Noorden van de Morvan ligt, richting Troyes. Toch wil ik de lezer de geschiedenis van Godelieve Rosselle niet onthouden. Ze vluchtte als kind tijden W.O.II uit België naar Chaumont-le-bois, trouwde er met Jules Rosselle en overleed in 1994 op 89jarige leeftijd. Willem Vermandere schreef een half Vlaams, half Frans lied over haar, dat elke twee jaar in Chaumont-le-bois ten gehore wordt gebacht om deze vroegere inwoonster te eren.

Willem Vermandere – la belle rosselle

Diep in Frankrijk in Chaumont-le-Bois
Weunt Godelieve Rosselle, écoutez moi

In een stal en een oeroud huis van steen
La belle is al tachtig ,maar nog goed te been.
Cinquante lapins , een geit en een hond,
Z’is kromgegroeid van ’t scharten in de grond
Z’is taai lijk een wisse croyez moi
La belle Rosselle de Chaumont-le-Bois.
Mijnen vent is dood il y a vingt ans
Le pauvre a souffert terriblement.
En ik heb een pensioentje van deux fois rien
Maar ik kweeke lapins voor de parisien.
‘k Hèn canards en een koe en zo kom ik rond
En ‘k labeure een beetje mijnen grond
Labeuren dat doet ze, croyez moi,
La belle Rosselle de Chaumont-le-Bois.
We gerochten alhier achter quatorze-dixhuit,
Juste getrouwd, que le temps passe vite
Al ons land was kapot en Ieper lag plat
Alleman was pauvre en zat op zijn gat
Maar ’t gaat nu veel beter daar in den Belgique
Volgens da’k hoor is ’t daar nu al zo chique
Z’is helder van geest oh croyez moi
La belle Rosselle de Chaumont-le-Bois.
Mijn kinders ze komen nu alhier en bagnole
En ze zeggen maman, maman, tu es folle
Le parisien veut acheter ta maison
En ik naar ’t gesticht, moi en prison,
Ils veulent que je quitte mon palais,
Maar totdat ‘k krevere je ne quitte jamais
Z’hèt haar op heur tanden croyez moi
La belle Rosselle de Chaumont-le-Bois.
Jésus bon dieu sauvegardez la
En lelijke duvels ne touchez pas
à la Godelieve nog zo goed te been
heur lapins heur canards en heur huis van steen
en we drinken een glas à ta santé
en we zingen dit liedje à ta beauté
want ’t is een schoon wuvetje croyez moi
La belle Rosselle de Chaumont-le-Bois.

 

 

Op een gegeven moment bereikte het pad vlakbij Les Champs de Bornoux de D20, om die over te steken en om even verderop met een boog weer op de Tour de Morvan terug te komen. Deze heeft een stuk noordelijker een flauwe bocht gemaakt en loopt dan naar het zuiden.

 

 

Daar het middaguur naderde was het voor mij en Diable toen stevig aanpoten naar St. Brisson, waar ik iets eetbaars hoopte te bemachtigen. We gingen over op de kaart van Saulieu, die ik niet nauwkeurig genoeg bekeek om een omweg te vermijden en troffen St.Brisson  om iets voor 12 als een uitgestorven dorp met een uitgestorven camping, geen bakkertje te bekernnen, laat staan andere ‘commerces’.

 

 

Terugkerend op onze schreden zagen we echter wel een toeristisch aandoende aangelegenheid aan de rand van een meer, de Etang Taureau. Het bleek het ‘Maison du Parc’ te zijn, een educatief centrum met een ecomuseum, verzetsmuseum, bistro met locale biologische producten en een uitgebreide documentatieruimte. In november keerden Bjorna en ik er terug om meer over het verzet in de Morvan te weten te komen.

L’ensemble est composé d’un château, accosté de deux bâtiments angulaires symétriques. On trouvera un jardin et un herbularium à l’intérieur de cette demi-enceinte.

Devant chaque aile, une chapelle et un pavillon de chasse ont été construits.

À proximité, on trouve également une bergerie et une ferme.

Au sud-ouest, on découvre l’étang Taureau, un ancien réservoir ayant servi pour le flottage à bûches perdues sur la rivière Vignan, au cours du xixe siècle.

La propriété fait 40 hectares au total et outre l’aménagement d’un sentier de découverte longeant une des berges de l’étang Taureau, on peut aussi se promener le long des allées de l’arboretum afin de découvrir 17 essences différentes d’arbres, forestières ou d’agrément, présentes en Morvan.

 

 

 

De bistro was goed voor een kopje koffie, maar een voettocht zoals ik die maakte verdroeg zich voor mijn gevoel niet met het nuttigen van exquise maaltijden, dus knoopte ik de bistro in mijn achterhoofd en richtte mijn hoop op Saulieu, voor wat betreft eetwaren. Diable en ik waren qua eten wel aan elkaar gewaagd, want ook zij leek te denken dat maagvulling niet persé nodig was. We zetten er de pas in, lijnrecht naar het oosten.

 

 

 

 

 

Vanaf Champeau-en-Morvan namen we een variant van de Tour, die ons naar Saulieu moest leiden. Het was best nog wel stevig aanpoten, maar we werden door honger gedreven. In de namiddag was het zover: de eerste echte stad die we op deze tocht aandeden.

 

 

 

Het was nog wel even zoeken in deze drukte, voordat we een Bi1 vonden. Het tempo dat we in de stad aanhielden was dramatisch gedaald bij vergeleken daarvoor, omdat Diable wenste te ‘sightsnuiven’. Overal waren heerlijke geuren langs muren en stoepranden, geuren die ze zo lang had moeten ontberen! Ik gunde haar deze welverdiende culturele ademtocht en zo scharrelden we langzaam door de stad, die echt een stuk drukker was dan Luzy en zelfs dan Autun. Busladingen mensen met nordic walking sticks stapten voor de diverse grote hotels uit. Die waren heel wat van plan!

 

 

Eenmaal bij de Bi1 installeerde ik Diable bij mijn rugzak, ervan uitgaande dat geen van beide aantrekkelijk was voor dieven. Bjorna is dat niet met me eens, zij is de mening toegedaan dat zeker Flaubert, het zusje van Diable, maar ook Diable zelf enigszins, een aantrekkelijke buit vormen voor hondenhandelaren. Dit vanwege hun aansprekende blauwe ogen en, voeg ik eraan toe: “de goede opvoeding en het perfecte karakter van Diable”. Dus je kunt je voorstellen dat ik door het glas van de supermarkt nog een liefdevolle blik op mijn tochtgenoot wierp, om me vervolgens naar de vleesafdeling spoedde om een, in mijn vegetarische ogen aantrekkelijk, stuk vlees voor haar te scoren. Zelf tastte ik, de hele dag door honger geteisterd, ook flink toe, zodat we even later flink beladen door de stad liepen, op zoek naar een uitspanning. En of het nu aan het glaasje witte wijn lag of niet: ook deze keer troffen we een kelner die niet kon spreken, maar wel woordeloos zijn mond bewoog, zodat ik wel dacht hem te kunnen vragen hoe ik verder richting Villeneuve moest lopen. Hij noch de bazin kenden dit dorpje dat onder de rook van Saulieu ligt, zodat ik het op richtingsgevoel moest vinden, iets dat me uitstekend afging.

 

 

En zo trof ik op een beboste heuvel boven de Ferme de Beavais zoals voorzien de ideale bivakplek op een verwaarloosd bospad.

 

 

Het was nog licht genoeg om een beetje met mijn net-niet-gestolen-hond te knuffelen…

 

 

 

In het Bois de  Beauvais, waar we hadden geslapen liepen we s’ochtends op gevoel naar het zuidwesten, om op een pad te stuiten dat ons op de Tourroute bracht, dat wil zeggen, de Variante chemin Bibracte-Alésia ervan.

 

 

Het was het begin van een prachtig zonnige dag, onze zesde. Een ochtend met een nog laagstaande zon en oonopgewarmde lucht houdt voor mij altijd een verwachting in. Ik had er zin in.

 

 

En hier is het misschien de plek om, daar waar ik mijn toorn afriep over de troep in een dorp als Le Creux op de eerste dag,  op dag 6 twee fotografische bewijzen toe te voegen van hoe het ook anders kan. Beide in Lavault, maar zoals gezegd werken zowel rommel als liefdevol onderhoud naar mijn mening besmettelijk.

 

 

Hoewel Bjorna erg haar best doet op onze bloementuin en we er behoorlijk tevreden mee zijn, kunnen we er in vergelijking met bovenstaande nog wel een punt aan zuigen. Maar wij wonen dan ook in Ettevaux en niet in Lavault.

 

Niet lang na Lavault raakte ik door een dubbelzinnige markering wat op een dwaalspoor, maar met veel plezier betreden, eerst over planken die een doorgang vormden over een moeras en uitkomende bij een uitloper van het Lac de Chamboux.

 

 

 

Dit is toch wel de moeite van een omweggetje waard! Desalniettemin verkeerde ik, na het meer een eind te zijn omgelopen, in onzekerheid over de te volgen route. De rood-gele markering wees een naar mijn idee verkeerde kant uit en met de kaart helemaal uitgespreid beraadde ik me aan de kant van een weggetje op een doorsteek naar Frétigny. De eerste de beste auto die langs kwam stopte en een vriendelijke man vroeg me of hij kon helpen. Dat heb je nu vaker in bloemrijke streken! Hij vertelde een heel verhaal over een oude spoorlijn, die ik tot Frétigny zou kunnen volgen, maar bedacht zich toen hij moest uitleggen hoe en wat. Te ingewikkeld, zei hij. Volg gewoon dit weggetje, dan kom je er ook. En zo gezegd, zo gedaan. Een half uurtje later bevonden we ons in Frétigny en konden bij eveneens gebloemde mensen de veldflessen bijvullen.

In Frétigny kwamen we weer op de hoofdroute uit en we vervolgden onze weg naar het zuiden richting Alligny-en-Morvan. Halverwege was het echter tijd voor een sanitaire stop en toen de daarbij behorende activiteiten, inclusief het begraven van e.e.a., achter de rug waren, bleek Diable in een diepe slaap te zijn gevallen. Ze werd niet eens wakker toen ik er aankwam, noch toen ik mijn boek uit de rugzak wurmde om dan maar te lezen tot ze wakker werd.

 

Misschien wat abrupt, maar dit heeft me doen besluiten de tocht niet verder voort te zetten. Diable was een hond van 16 maanden en hoewel ze conditioneel goed leek opgewassen tegen de dagelijkse wandelingen van tussen de 35 en 40km, had ik te weinig rekening gehouden met het feit dat honden veel meer plegen te slapen dan mensen, ook overdag. De diepe slaap van Diable baarde me onrust en tegen de tijd dat ze weer bij kennis kwam, had ik mijn plan getrokken. We daalden af naar La Place, dat aan een doorgaand weggetje ligt en daar zocht ik een goede plek om te liften. Maar nauwelijks op de weg gekomen kwam er een auto aan. Ik stak mijn duim op. Hij stopte. Had zelf ook een hond bij zich en moest naar Saulieu. “Stap maar in!” (Nog steeds in dat bloemige gebied, hè). Hoewel Diable het wat eng vond, wist ik hem tenslotte de auto in te sleuren en legde in voor mijn doen acceptabel Frans uit hoe het lag. Het was deze man die me vertelde, dat er nogal wat genetische problemen in de Morvan zouden heersen, door inteelt. Niet kunnen praten was er één van.

 

Ik vroeg hem of hij me bij het station in Saulieu wilde afzetten, maar dit bleek in onbruik. Hij was zo aardig om voor me naar het toeristenbureau te gaan, om te informeren of er soms bussen gingen en inderdaad: er ging er één aan het eind van de dag naar Autun. Ik kocht een kaartje, belde Bjorna vanuit het toeristenbureau en gewapend met een zak hondensnoepjes van de aardige liftgever konden Diable en ik op ons gemak nog wat sightsnuffelen.

 

Het wat gemankeerde avontuur van de Tour de Morvan eindigde dus in de bus, ook nieuw voor Diable. Maar ze speelde er naar hartelust met een andere hond, terwijl ik mijn Frans beproefde op diens baasje.

 

Saskia, 2-04-2015