Over de zintuigen.

 

 

 

 

 

Voer voor de zintuigen,

Kanttekeningen bij de zintuigen van mens en dier.

Een gewaarwording is de bewuste verwerking van een zintuiglijke waarneming. Daarbij spelen interne psychische processen, zoals aandacht en verwachting, een net zo belangrijke rol als de fysische buitenwereld, die zich via de zintuigen opdringt. Alleen om deze reden al is er geen één op één relatie tussen de werkelijkheid en de ervaring. Ook het feit dat aspecten van de fysische wereld worden omgezet in sensaties die kunnen worden beschouwd als een vertaling van die wereld, maar niet als die wereld zelf, maakt dat het idee dat zintuigen ons (een deel van) de werkelijkheid voorspiegelen, een simplificatie is.

 Voorbeelden:

 -In de buitenwereld is een breed spectrum van elektromagnetische straling aanwezig. Een groot deel van dit spectrum kunnen wij niet waarnemen, omdat de straling uit frequenties bestaat die ofwel dwars door onze ogen heen gaan en deze dus niet ‘beroeren’, ofwel niet in onze ogen passen, omdat deze dan het formaat van een schotelantenne zouden moeten hebben, wat in de dagelijkse praktijk enigszins onhandig is. Het gedeelte van het spectrum dat we wel kunnen opvangen noemen we ‘licht’ en zien we als ‘kleuren’. Dat wil echter niet zeggen dat de buitenwereld er, zonder menselijke waarnemer, zo uit ziet. Evenmin is ermee gezegd dat elk levend wezen deze vertaalslag op dezelfde wijze maakt. Bekend is, dat bijvoorbeeld adders de ‘kleur’ infrarood kunnen zien, die voor ons onzichtbaar is, maar die we als warmtestraling enigszins kunnen waarnemen. Veel dieren zien geen verschil tussen groen en rood. Ten onrechte wordt wel gezegd dat ze ‘kleurenblind’ zijn. Het is veeleer zo, dat tussen groen en rood licht niet zulke grote verschillen in frequentie zitten. Het is voor de betreffende dieren niet noodzakelijk om hierin twee kleuren te onderscheiden.

-Geluid bestaat uit trillingen van moleculen, die naastgelegen moleculen aanstoten en in trilling brengen. Op deze manier ontstaan golven, zoals die in water ontstaan als je er een steen in gooit. De golven kunnen een groot spectrum aan frequenties hebben, waarvan we slechts een klein deel in de vorm van geluid kunnen waarnemen. In tegenstelling tot lichtgolven zijn geluidsgolven dus afhankelijk van een medium. Daar het heelal voor het grootste deel een vacuüm is, is het er dan ook doodstil. Als je een wekker laat aflopen onder een stolp waarin een vacuüm getrokken is, hoor je hem niet alleen niet, maar er is ook daadwerkelijk geen geluid.

De trillingen in materie die wij als geluid ervaren, worden door sommige dieren waarschijnlijk in beelden omgezet. In elk geval is hiervan sprake bij de vleermuis, bij dolfijnen en bij sommige walvisachtigen. Doordat zij zelf ‘geluiden’ uitzenden en uit de echo daarvan de kenmerken van hun omgeving kunnen opmaken, kun je misschien de vergelijking maken met een mens, die met een zaklantaarn in het donker schijnt. Het is aannemelijk gemaakt dat dieren middels ‘echolocatie’ ook kleuren en de structuur van oppervlakten kunnen zien. Verder nemen ze nota van kenmerken van de materie, die voor onze ogen verborgen blijven.

Hoewel veel dieren een speciaal zintuig voor geluidsgolven hebben, zijn er ook, zoals de regenworm, die de trillingen via hun lichaamsoppervlak ontvangen. Spinnen voelen waar het gevangen insect zit, door de trillingen in het web. Wat voor beeld ze hiervan maken zal wel altijd een raadsel blijven.

Als het dan niet mogelijk is om via de zintuigen impressies op te doen, die een kloppende afspiegeling van de werkelijkheid zijn, kun je je afvragen waarom het is dat wij zo schamel zijn toegerust. Biologen en filosofen in de periode voor de tweede wereldoorlog gaven daarop antwoord in de vorm van het begrip ‘Umwelt’ (Jakob von Uexküll), een begrip dat door de nazi-ideologie helaas besmet is geraakt, maar dat in zijn essentie niet anders betekent dan dat elk dier uit het spectrum van de werkelijkheid slechts dié indrukken opdoet, die hem van pas komen. De rest van de werkelijkheid kan hij van zich af laten glijden. Zo heeft elke diersoort zintuigen, die hem verslag doen van z’n geheel eigen Umwelt, die essentieel verschilt van die van een ander diersoort, dat natuurlijk wel als object in zo’n Umwelt kan functioneren. De evolutie zou er voor gezorgd hebben dat het dier en zijn Umwelt nauwkeurig op elkaar afgestemd raakten. Om het abstracte beeld ‘Umwelt’ te doorgronden, kun je je voorstellen dat twee waarnemers naar een object, zeg een stoel, kijken. Door de verschillende plaats die ze ten opzichte van de stoel innemen, zien ze ieder een verschillend beeld, dat echter wel dezelfde stoel vertegenwoordigt.

 Voorbeelden.

 -Hoewel de bouw van een paardenoog in veel opzichten lijkt op die van een mensenoog, is het gezichtsvermogen van paarden op geheel andere wijze geëvolueerd. Dit heeft voor een deel te maken met het feit dat paarden prooidieren zijn, in tegenstelling tot mensen, die zich in zeker opzicht onder de roofdieren mogen scharen. Waar prooidieren gebaat zijn met een zo groot mogelijk gezichtsveld, dat bereikt wordt door een plaatsing van de ogen aan de zijkant van het hoofd, moet een roofdier het hebben van een scherp zicht op datgene wat vóór hem plaatsvindt. De ogen van roofdieren staan dientengevolge dicht bij elkaar, zodat het gezichtsveld van beide ogen elkaar voor een groot deel overlapt, waardoor ze diepte kunnen zien.

Een ander gegeven dat bij de evolutie heeft ingewerkt op het paardenoog, is het feit dat een paard geen dag-nachtritme heeft en dat het leven dus ’s nachts, bij beperkte verlichting, gewoon door moet kunnen gaan. Daarom kan een paard ongeveer even goed in het donker zien als een uil. Voor de mens, die ’s nachts pleegt te slapen, is dit vermogen overbodig. In plaats daarvan is hij een held in kleuren zien.

 Het laat zich denken dat de wereld er door paardenogen heel anders uitziet. Niet alleen is het beeld waziger en minder gekleurd en met een panorama van bijna 360 graden, ook kun je je afvragen of paarden eenzelfde idee over de constantheid van dingen hebben als wij. Als wij nu eens met het ene oog kijken en dan weer met het andere, zien we het beeld slechts licht verschuiven. Het paard ontvangt via beide ogen, op 75 graden na, een verschillend beeld. Zo kan een voorwerp letterlijk plotseling ‘in zijn oog springen’. De reactie van een prooidier op zo’n gebeurtenis, doet zich raden.

Naast het vermoeden dat het paard de werkelijkheid anders ziet dan wij, moeten we ook rekening houden met een verschil in de wijze waarop hij zintuiglijke informatie weegt. Voor de mens is het: ‘Eerst zien, dan geloven.’ Een hond gelooft iets misschien pas als hij het ruikt. Ook paarden hebben een relatief groot deel van hun hersenen gereserveerd voor het interpreteren van geuren. Dit wijst er wellicht op dat geuren voor hen een belangrijke bron van informatie over de werkelijkheid zijn.

– De brittlestar, een soort zeester, is eigenlijk één groot oog. Op z’n huid bevinden zich minerale kristallen (calciet), die als lensjes werken. De lensjes kunnen natuurlijk niet focussen, maar dat is ook niet nodig. Beweging waarnemen is genoeg om een roofdier razendsnel te ontwijken. Doordat de slangenster van kleur kan veranderen, past hij zich aan aan verschillende lichtsterkten. Hij maakt dus eigenlijk gebruik van een zonnebril avant la lettre. Hoeveel bewuste waarneming met dit facet-oog gepaard gaat, kun je je natuurlijk afvragen. Maar er is duidelijk een stimulus-reactie keten die precies op de omgeving (De Umwelt) is toegesneden.

 – Onze zintuigen zetten uitwendige prikkels om in elektrische stroompjes, die via ons zenuwstelsel de daartoe geëigende plekken in de hersenen bereiken. Hoe ze daar de indruk ‘licht’, ‘geluid’, ‘pijn’ e.a. bewerkstelligen, is een raadsel. Wel is het een feit dat de snelheid van de zenuwgeleiding van invloed is op de waarneming. Zo kun je je enerzijds voorstellen dat gebeurtenissen die zeer snel verlopen niet door ons kunnen worden opgemerkt. Als een voorwerp vele duizenden keren per seconde in en uit het bestaan zou flitsen, dan zullen we het als permanent beschouwen en ons niet realiseren dat het er af en toe niet is. Dit feit is kennelijk niet van belang voor ons bestaan. Het is dan ook anderzijds maar goed dat we niet over het zeer trage zenuwstelsel van een slak beschikken. Dan zouden objecten plotseling in onze belevingswereld materialiseren, zonder dat we hadden waargenomen, hoe ze er gekomen waren. Het bijgeloof zou hoogtij vieren! De slak zelf echter is geheel toegesneden op z’n eigen bestaan, zolang hij zich maar niet met een haas hoeft te meten.

Als elke diersoort zit opgesloten in zijn eigen beleving van de werkelijkheid, kun je je afvragen hoe het met de interactie tussen de verschillende soorten is gesteld. Je kunt zelfs verder gaan: zitten wij als mensen niet elk afzonderlijk gevangen in een eigen interpretatie van de buitenwereld? Deze gedachte roept associaties op met het in sommige therapeutische kringen gebruikelijke concept dat een beleving direct terugkoppelt met de woorden: ‘Wat zegt dit over jezelf?’ Veelal tot frustratie van de betreffende cliënt.

De frustratie is niet onbegrijpelijk, omdat het hier een ‘reductio ad absurdum’ betreft die uiteindelijk leidt tot solipsisme (solo=alleen, ipsus=zelf), een denkwijze die er van uit gaat dat alle ervaring van de buitenwereld slechts bestaat in de geest van de waarnemer. Daar alles wat je tegen deze geloofsvoorstelling inbrengt weer kan worden teruggekoppeld naar je eigen geesteskronkels, betreft het hier een niet te weerleggen voorstelling van zaken, waar je uiteindelijk niet verder mee komt.

Het andere uiteinde van het spectrum is misschien wel het animisme, het attribueren van een ziel of een geest aan alle mogelijke objecten in de fysieke wereld. Het toekennen van menselijke eigenschappen aan de wereld om ons heen is hier een geaccepteerd overblijfsel van. Het edele paard en de ongenaakbare berg zijn begrippen geworden, die onweersproken in ons taalgebruik figureren. En hoewel door ethologen tot voor kort alom werd gewaarschuwd voor het projecteren van menselijke gevoelens en gedachtes in dieren, vindt er met de waarschuwing van Frans de Waal dat de ‘antropo-ontkenning’ aan het doorslaan is, ook in dit denken weer een kentering plaats.

Feit is, dat we ons in sommige dieren beter denken te kunnen inleven, dan in andere. Het betreft hier zowel de gedomesticeerde dieren, die dan ook waarschijnlijk niet voor niets te domesticeren waren, als in breder verband zoogdieren waarmee we tijdens de evolutie een periode gelijk zijn opgelopen, waardoor het om dieren gaat die over een vergelijkbaar fysiek instrumentarium beschikken. Het feit dat de mens over het algemeen niet langer gezien wordt als de kroon der schepping – een wezen dat van onmetelijke afstand op dieren neerkijkt – maar als onderdeel van een continuüm van dierlijke levensvormen, maakt het mogelijk om in gedachten aan de strakke begrenzing van de Umwelt te ontsnappen.

De hond als mens…

 

 Voorbeelden.

 -Het zwemmen met dolfijnen neemt een steeds hogere vlucht. Het is alom bekend dat dolfijnen zich graag in de omgeving van mensen begeven en dat het voorkomt dat ze drenkelingen redden door ze naar het strand te brengen of door haaien op een afstand te houden. Langzamerhand zijn ze in de geest van sommige mensen tot mythische wezens geworden, met een kennis en wijsheid die misschien wel verder reikt dan die van mensen. De omgang met hen zou helend werken bij tal van afwijkingen en kwalen. Talloze mensen laten zich door deze eeuwig lachende wezens betoveren. Zo ook prinses Irene, die in haar boek ‘Terug naar de natuur’ verslag doet van haar ontmoetingen met dolfijnen. Zeebiologen zetten echter stevige kanttekeningen bij haar interpretatie van het dolfijnengedrag. Waar Irene het feit dat de dolfijnen haar recht in het gezicht poepen beschouwt als een uitnodiging om de ‘shit’ in haar leven niet voor zich te houden, spreken dolfijnenkenners van dominant gedrag. Overigens worden de reddingen door dolfijnen door hen afgedaan als ‘speelsheid’. Hetzelfde gedrag wordt waargenomen als dolfijnen zich bezighouden met een stuk hout.

 

-Het opgesloten zijn in een eigen wereld en het onvermogen anderen te bereiken, heeft vele dichters tot noodkreten geïnspireerd:

 

‘Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten

en zit in ’t binnenst van mijn ziel ten troon

 (Willem Kloos, 1894)

 

‘Ik die bij sterren sliep en ’t haar der ruimten droeg

als zilveren gewei en ’t stuifmeel der planeten

over den melkweg blies en in de maan gezeten

langs ’t grondeloze blauw der zomernachten voer,

 

ik ben beroofd en leeg, mijn schepen zijn verbrand,

mijn stem verloor haar gloed en vindt geen weerklank meer

in ’t dode firmament, niets dan de galm die keert

van ’t sombere gewelf van mijn ontredderd hart.’

(Hendrik Marsman, 1899-1940)

 

 -De meeste Europese talen kennen het woord ‘dier’, te onderscheiden van een mens. Buiten Europa zijn er echter tal van culturen die weliswaar verschillende woorden gebruiken voor verschillende diersoorten, maar die geen algemeen woord kennen voor de verzameling dieren. Waar in de Westerse traditie, van Aristoteles tot Descartes, een speciale plaats voor de mens wordt ingeruimd, in het bijzonder voor de man, ziet men elders dieren als medeschepselen.

-Ondanks de vergelijkbare fysieke uitrusting van mensen en hun huisdieren vereist de interpretatie van het dierengedrag een vertaalslag. Waar het tonen van onze tanden bij ons ontwapenend is bedoeld (let hiervoor eens op prinses Maxima), is er met een hond die z’n tanden laat zien in de meeste gevallen iets anders aan de hand. Lachen zoals wij dat kennen komt in alle menselijke culturen en bij sommige primaten voor. Men gaat er dan ook van uit dat het is aangeboren.

De hond als mens…

 

Waar onze zintuigen slechts een klein deel van het totale spectrum van de werkelijkheid kunnen opvangen, zijn we in staat veel van deze beperkingen te overstijgen door het gebruik van instrumentarium dat als verlengstuk van onze zintuigen kan dienen. De microscoop, de telescoop , de geigerteller, de microfoon en de versterker, de pH meter, de Voltmeter – de mens is al sinds jaar en dag bezig z’n zicht op de buitenwereld uit te breiden. Dit in tegenstelling tot dieren, die tot de fenomenen die hen door de zintuigen worden voorgeschoteld, beperkt blijven. Het interessante is, dat voor ons van nature onzichtbare kwaliteiten ons wel degelijk blijken aan te gaan, in de zin dat ze een onderdeel van ons bestaan zijn geworden. Röntgenstralen leggen onze botbreuken bloot, radiogolven dragen geluiden en beelden ons huis binnen en bacteriën blijken ons ziek te maken. We moeten daarbij wel aantekenen, dat we deze facetten van de werkelijkheid uiteindelijk allemaal waarnemen via onze zintuigen. Maar het valt moeilijk hard te maken dat bacteriën hun goede en schadelijke werken nog niet verrichtten, toen wij ons van hun aanwezigheid nog niet bewust waren. Gezien de pestepidemieën in het verleden kan een door ons niet waar te nemen entiteit de nodige invloed op ons leven uitoefenen. In de 14e eeuw werden hele delen van Europa er volledig door ontvolkt. Het begrip Umwelt als een totaal op elkaar toegesneden zijn van het organisme en zijn leefomgeving wordt hierdoor wat onttoverd. We moeten echter wel bedenken dat het hier een concept uit de evolutiebiologie betreft, waar aanpassingen plaatsvinden in de loop van honderdduizenden jaren.

Voorbeeld.

 -Naast de uitbreiding van ons zintuiglijk potentieel in praktische zin, ontstijgt de mens ook uit zijn Umwelt door gedachte-experimenten. Zo poogde de Franse baron Charles de Montesquieu (1689-1755) de Franse samenleving van die tijd door de ogen van een Perzische edelman te zien, verdiepte H.G. Wells zich in 1897 in de problemen van een ‘invisible man’ en trachtte de natuurkundige Erwin Schrödinger zich de consequenties van de door de quantummechanica ontdekte onbepaaldheid van het universum op subatomair niveau, voor te stellen in een geval waar het ging om het al dan niet in leven zijn van een kat (1927). Met dit laatste gedachte-experiment zijn veel mensen op de loop gegaan, die betogen dat er uiteindelijk niets bestaat zonder waarneming (‘esse est percipi’ of ‘to be is to be perceived’). Kortom: over de zintuigen is men voorlopig nog niet uit gedacht.